Het is acht uur ’s avonds. Ik zit op de hoogste verdieping van een hotel in Dandong, in het noord-oosten van China. Vlak aan de Yalu rivier, die de grens vormt met Noord-Korea.
Een schel gezang van een Chinese zangeresje weerklinkt door de luidsprekers. Ik zie zo’n honderd Chinezen dansen op een plein. Mensen maken plezier, ik hoor ze lachen tot hier boven. Enkele groepjes spelen pluimvoetbal. Een gigantische fontein spuit water in alle richtingen, afwisselend in het rood, groen en blauw.
Wat verderop zie ik de verlichte contouren van de Vriendschapsbrug, de brug die China met Noord-Korea verbindt. Dit is de belangrijkste levensader van Noord-Korea. Chinese vrachtwagens rijden af en aan, zwaar overladen met voedsel, kledij en electronica, richting overkant. Ze keren meestal leeg terug.
Dandong is vandaag een bruisende handelsstad dankzij die brug. Overal wordt hier gebouwd, nieuwe mega-bouwprojecten die hier geafficheerd doen denken aan wat Peking de voorbije jaren heeft meegemaakt. De winstmarges op de handel tussen China en Noord-Korea is blijkbaar groot. En het vertrouwen in een gezamenlijke toekomst ook.
De Vriendschapsbrug lijkt in het midden van de rivier te stoppen. Plots eindigt de verlichting, en begint het Noord-Koreaanse gedeelte. Voor uitbundige versieringen van een brug is duidelijk geen geld.
Ik schat dat de rivier zo’n 120 meter breed is. 120 meter is voldoende voor een contrast van jewelste. Aan de overkant van het water geen licht, geen gezang, geen fonteinen. Alleen een gapend zwart gat. Het niets.

Op safari
Al twee dagen hang ik rond deze rivier die het ‘iets’ scheidt van dat ‘niets’. Alleen met de boot kan ik af en toe eens richting overkant. Op een tiental meters van de oever stoppen we telkens, aan wal gaan is helaas uitgesloten.
Mijn hart bonste die eerste keer in mijn keel van de spanning. Alsof ik naar iets ging kijken dat ik eigenlijk niet mag zien. Deze plek maakt me al jarenlang nieuwsgierig. Eindelijk ben ik er.
Hoe meer dichterbij ik kom, hoe duidelijker het wordt dat dit niet het spookland is dat het lijkt. Akkoord, dat reuzenrad draait inderdaad niet meer. De Noord-Koreaanse versie van Disneyland is blijkbaar failliet.
Hier speelt zich het leven af zoals zich dat tot voor 20 jaar wellicht ook aan de Chinese kant van de rivier afspeelde. Mensen doen dagelijkse dingen, op een zichtbaar heel ontspannen manier. Een man rijdt met een witte vrouwenfiets langs het water, op zijn linkerborst een rode badge met de afbeelding van de grote leider Kim Il Song. Een jong koppeltje rijdt wat verderop. Een oude vrouw laat de geiten grazen op de oever, haar gezicht ziet er grijs en grauw uit, haar geit is vel over been.

Hier heerst bittere armoede, zegt men. Maar wat een rust straalt dit alles uit. Je hoort er geen enkel geluid, geen motoren, geen auto’s, geen grasmachine. Behalve het getsjirp van de krekels. De tijd lijkt hier stil te staan.
Ik heb me meerdere keren afgevraagd wat die Noord-Koreanen wel moeten denken over ons. We bekijken ze met verrekijkers, begluren is een beter woord. Alsof we op safari zijn in een wildpark. Terwijl ze hun haar wassen in de rivier, terwijl ze vissen, terwijl ze zonnebaden, terwijl ze hun boten herstellen.


Zouden ze ons verfoeien, of ons benijden omdat wij vanop het water ‘vrij’ lijken? Zouden ze beseffen dat ze een curiosum geworden zijn? Zouden ze die oprukkende hoogbouw aan de Chinese kant beschouwen als verderfelijk? Of verlangen ze heimelijk naar de dag dat ze het water kunnen oversteken zonder hun leven te riskeren?
Dit zijn in elk geval taferelen die uniek zijn. Want wie Noord-Korea officieel binnengeraakt met een streng begeleid groepsbezoek, komt gewoonlijk niet verder dan Pyongyang. Dit platteland is verboden terrein.
Toegegeven, veel lachende gezichten heb ik niet gezien. Behalve wanneer enkele arbeiders in bloot bovenlijf doen alsof ze op ons schieten. Dan kan de pret niet op. Noord-Koreaanse humor.
Of die ene soldaat die ons op een haar mist wanneer hij vanop een brug een steen naar ons gooit. Dit gebaar maakt het min of meer duidelijk wat zij over ons denken. Het is maar dat hij geen kogels aan ons mag verschieten, of hij had er ons wellicht met plezier ééntje door het lijf gejaagd.

China, het paradijs
Urenlang glijden we langs de Noord-Koreaanse grens. We passeren een stad die ooit de tweede grootste industriestad van het land was. Het centrum van de staalindustrie. Vandaag is het een ruïne, verlaten en vervallen. Het zegt veel over de toestand van dit land.

Sureëel bevreemdend, da’s het overheersende gevoel dat je hier krijgt. Het meest gesloten land van de wereld lijkt er prachtig uit te zien, in een groen heuvellandschap dat doet denken aan een mix van Schotland en d’Ardennen. Maar het besef dat deze mensen in een terreurregime leven, waar ze niet vrij zijn, waar elke kritiek op de leider goed is voor de doodstraf, waar hongersnood heerst, dat besef komt telkens een fractie te laat.
Vergeleken met de overkant, lijkt China een heus paradijs van vrijheid en rijkdom. En terwijl ik dit neerschrijf besef ik: alles is relatief.

Popularity: 6% [?]