Aflevering 3 van het Tibet dagboek
Zo’n persreis begeleid door de Chinese overheid blijkt ook voordelen te hebben. Neem nu het Potala paleis, waar tot 1959 de dalai lama’s tijdens de winter vertoefden. Het icoon van Tibet is een van de eerste wolkenkrabbers ter wereld. Maar eventjes 13 verdiepingen hoog en zonder lift. Beklim dat maar eens op 3.700 meter hoogte, terwijl je al zonder adem zit.
Maar voor ons China-correspondenten is op deze trip werkelijk aan alles gedacht. In een busje worden we via een zijpoort helemaal tot boven gebracht en netjes aan de ingang afgezet. Onderweg alleen maar vriendelijke soldaten van het Volksbevrijdingsleger die ons begroeten. En terwijl ik zie hoe toeristen uitgeput aan hun rondleiding beginnen, mogen wij fris en monter de uitleg van de directeur van het Potala aanhoren.
Qiangba Gesang is een Tibetaan met een Elvis-kapsel. 30 jaar lang projecteerde hij films in Lhasa, vooraleer hij het tot directeur van het Potala schopte. Nu is hij vooral belast met de renovatie van het Potala. “600.000 bezoekers per jaar jaar krijgen we hier over de vloer”, zegt hij niet zonder enige fierheid. “Dubbel zoveel als voor de aanleg van de Lhasa Express, de hoogste spoorlijn ter wereld van het Chinese binnenland naar Tibet.”
Maar meer bezoekers betekent meer schade aan de kwetsbare leem- en houtstructuur van het Potala, met fundamenten uit de 7e eeuw, geeft directeur Gesang toe. “Daarom renoveren we het Potala permanent. Een werk van lange adem”, zucht hij, terwijl hij zijn haar goed legt. “Maar het heeft ook zijn voordelen: het gebeurt nog altijd dat we nieuwe kamertjes ontdekken.”
“Kom, haast u”
Op de binnenkoer van het Potala houdt een soldaat van het Volksbevrijdingsleger stokstijf de wacht. Chinese toeristen met een Tibetaanse cowboyhoed maken giechelend met hun vingers het V-teken. Ik blijf verbaasd kijken naar de originele foto’s die ik hen zie nemen. Iets verderop weerklinkt gezang van Tibetaanse arbeidsters. Met rythmische slagen renoveren ze het dak van een zijgebouw van het Potala.
“Of mijnheer de directeur denkt dat het Potala ooit opnieuw door een dalai lama bewoond zal mogen worden?”, wil ik weten. “Daar kan ik niet op antwoorden, dat is politiek.” zegt hij. “Kom, haast u. Geen vragen meer, we hebben niet veel tijd.” We worden door de ene schatkamer na de andere geloodst. Kaarsen verlichten de donker zalen, hier en daar fonkelt goud van de Boeddha-beelden. Alles ademt hier een geweldig rijke geschiedenis uit.
Maar tijd om het te laten bezinken is er niet, we moeten mee met de stroom. Soldaten staan verspreid in het gebouw op strategische plaatsen en manen ons aan. Foto’s maken is officieel verboden. “Dit is de mooiste plek van ons moederland”, vertrouwt een dame uit Peking me toe, terwijl haar gids via een luidsprekertje de rest van een groepje toeristen toespreekt. “Eigenlijk ben ik jaloers op de schoonheid van de Tibetaanse cultuur.”
Een monnik klampt me aan. “Hello sir… please come.” Hij spreekt enkele woorden Engels. Het lijkt wel of hij me iets wil vertellen. Maar dan laat hij me plots los, hij kijkt weg en gaat verder met het lezen van zijn boek. Twee soldaten wandelen voorbij en kijken even om.
Na nog geen half uur staan we weer buiten. Uitgeput van het gejaag. Onze waakhonden doen zenuwachtig, we zijn al te laat voor de volgende afspraak. Met onze escorte vliegen we door Lhasa, omdat we de gloednieuwe campus van Lhasa Universiteit moeten bewonderen.
Trompetgeschal
Een rondleiding van 20 minuten en we staan alweer aan de bus. Tijd om met Tibetaanse studenten te praten, was er niet. Samen met de cameraman van Reuters probeer ik onze Chinese hoofdbegeleider voorzichtig duidelijk te maken dat we voor televisie iets meer tijd nodig hebben als we een beeldverhaal willen brengen. “Jij bepaalt onze agenda niet! In de bus!”, snauwt hij me met opgestoken vinger toe. Ik schrik me rot.
En zo zal het ook de rest van de dag verlopen. Van het ene succesverhaal naar het andere. We krijgen onder meer een modeldorp te zien waar nomaden en boeren nieuwe huizen hebben gekregen van de Chinese overheid. “Want het is toch iets comfortabeler dan leven in tent, zoals de Tibetaanse nomaden eeuwenlang gedaan hebben”, klinkt het uit de mond van het dorpshoofd annex partijlid.
Een bewoonster wil me de binnenkant van haar huis tonen. Ook het schrijn waar ze elke dag komt bidden. Overal hangen foto’s van Tibetaanse geestelijken, maar niet van de huidige dalai lama. “Waarom niet?”, wil ik weten. De camera draait. Er verschijnt even een glimlach op haar gezicht, ze lijkt opgelucht dat we het daarover kunnen hebben. “Het is verboden”, zucht ze. “Ze laten het niet toe dat we hem vereren, en …” De vrouw wil meer vertellen. Maar alsof de muren oren hebben, komt op dat moment een Chinese begeleider de bidkamer binnengestormd. “Vooruit, we moeten verder. De groep wacht op jullie!” De vrouw schrikt op, wij ook. We lopen achter de man aan. Hup, bus in.
Na de lunch gaat de sneltrein verder. Letterlijk. De volgende halte is het nagelnieuwe treinstation (foto links) waar de Lhasa Express aankomt. De loftrompetten van vooruitgang en ontwikkeling klinken steeds luider. Van de spoorlijn gaat het naar het Lalu moerasland in Lhasa. “Een staaltje van milieubeheer onder impuls van de Chinese regering, de groene long van Lhasa.” Hiermee wil de Chinese overheid de kritiek weerleggen dat China niet zorgvuldig zou omgaan met het kwetsbare ecologisch systeem van Tibet.
Rijstwijn
Een hele dag lang kan alles niet snel genoeg gaan, maar nu rijdt onze bus aan een slakkengangetje van 20 km/u door Lhasa. Blijkbaar zitten we voor op schema. Of het moet zijn dat onze volgende gastheer te laat is. We krijgen een interview met de vice-partijsecretaris van de Communistische Partij, Hao Peng, de nummer twee van Tibet.
Anderhalf uur lang hebben we een naar Chinese normen zeer open gesprek met de nummer twee van Tibet. Een pingpongspel van venijnige vragen en vaak voorspelbare antwoorden. “Alle Tibetanen houden van de Communistische Partij en van ons land”, zegt Hao Peng zonder aarzelen. Het gaat onder meer over de dalai lama (”Wij vertrouwen die man niet.”), de militaire aanwezigheid (”Nodig om stabiliteit en veiligheid te garanderen”) en de instroom in Tibet van de Han-Chinezen (”Wij houden hierover geen statistieken bij.”)
Een buffet met overheidsmensen en enkele rondjes “gambei” rijstwijn later moet ik tot de vaststelling komen dat we er vandaag alweer niet in geslaagd zijn om met de gewone Tibetaan te praten. Mijn cameraman en ik zijn te moe om vanavond een nieuwe ontsnappingspoging richting binnenstad te ondernemen.
Morgenvroeg proberen we het nog een keer. We moeten wel, als we journalistiek iets meer dan Chinees trompetgeschal willen laten horen.
Popularity: 1% [?]












